14 Jan

Verschillen tussen een sterk bewijs en een zwak bewijs

We kunnen een bewijs indelen in twee categorieën: een sterk bewijs en een zwak bewijs.

  • Sterk bewijs wordt vaak gevonden in feitelijke gebeurtenissen en wordt ondersteund door observaties van gedrag, vooral wanneer de deelnemers niet weten dat ze worden geobserveerd. Sterke bewijzen ondersteunen ideeën en komen voort uit een non biased onderzoek of experimenten. Dergelijke sterke bewijzen bieden een solide ondersteuning voor de hypotheses.
  • Aan de andere kant hebben we zwak bewijs. Dit kan voortkomen uit situaties waarin mensen tijdens interviews of enquêtes antwoorden geven waar ze niet volledig achter staan, of waar ze sociaal wenselijke antwoorden geven. Daarnaast kunnen externe factoren, zoals politieke omgeving of onderzoeksomgevingen de antwoorden van deelnemers beïnvloeden. Voornamelijk zien we in praktijk zwakke bewijzen ontstaan wanneer testpersonen bewust zijn dat ze in een testsituatie zitten en hierdoor social wenselijke antwoorden gaan geven. Ook komt het vaak voor dat bij onderzoeken prijzen worden verloot. Dit kan ook de bewijslast beïnvloeden, omdat deelnemers mogelijk niet oprecht geïnteresseerd zijn in het onderzoek en willekeurige of sociaal wenselijke antwoorden kunnen geven.

Het is belangrijk om voorzichtig dus te zijn met het beschouwen van elke uitspraak als een bewijs, omdat niet lang alle bewijzen noodzakelijk overeenkomen met het gedrag van mensen in het echte leven of in de toekomst. Hieronder kan je een aantal tips lezen over hoe je ervoor kan zorgen dat je bewijs sterk is.

Een bewijs sterk maken
De volgende maatregelen kan een onderzoeker nemen om de kwaliteit van bewijs te waarborgen:

1. Feitelijke gebeurtenissen:
– Verzamel en documenteer zorgvuldig feitelijke gebeurtenissen, inclusief relevante contextuele informatie.
– Controleer de nauwkeurigheid van de verzamelde feiten door middel van meerdere bronnen of onafhankelijke verificatie.

2. Observaties van gedrag:
– Voer observaties uit in natuurlijke omgevingen waarbij de deelnemers niet bewust zijn van de observatie.
– Zorg voor een gestandaardiseerde observatiemethode om consistentie en betrouwbaarheid te waarborgen.
– Train waarnemers grondig om vertekening te minimaliseren en om een objectieve beoordeling van gedrag te waarborgen.

3. Interviews of enquêtes:
– Gebruik gestandaardiseerde interview- of enquêteprotocollen om consistente gegevensverzameling te garanderen.
– Stimuleer openheid en eerlijkheid bij de deelnemers door een vertrouwelijke en ondersteunende gespreksomgeving te creëren.

4. Sociaal wenselijke antwoorden:
– Gebruik technieken zoals anonieme enquêtes om de kans op sociaal wenselijke antwoorden te verminderen.
– Verzamel aanvullende gegevens of combineer verschillende methoden om de consistentie van de verkregen informatie te verifiëren.

5. Beïnvloeding door politieke omgeving of onderzoeksomgevingen:
– Minimaliseer invloeden van de onderzoeksomgeving door het observeren van gedrag in natuurlijke settings waar de invloed van de onderzoeker minimaal is.
– Identificeer en beheer mogelijke vertekeningen door middel van voorzorgsmaatregelen zoals het aanpassen van onderzoeksprotocollen en het selecteren van representatieve deelnemersgroepen.

Leave A Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *